door Rejo Zenger

Politie is laks over haar laks lakken

Door beelden van incidenten op sociale media te publiceren probeert de politie inzicht te geven in haar dagelijkse werk. Daarmee geeft ze ook een kijkje in de minder fraaie kanten van het leven van sommige burgers. De schouderophalende houding van de politie daarover is verontrustend.

Het NCRV-programma De Monitor schreef daar afgelopen week ook over. Net als ik ook al eerder deed, laten de makers van het programma zien hoe gemakkelijk het is om het adres van een incident te achterhalen. De redacteur constateert dat de onderzochte video genoeg herkenbare punten toont “om elke twijfel weg te nemen.” Ook wijst het TV-programma op een meer dan terechte vraag van een YouTube-gebruiker: “in hoeverre praktijksituaties geanonimiseerd kunnen worden?” In haar reactie stelde de politie dat “het onderwerp nog in ontwikkeling is”, dat “wetgeving en kaders gemaakt moeten worden” en er momenteel “veel proeven uitgevoerd worden”. Die reactie is om tenminste drie redenen verontrustend.

In de eerste plaats is het verwonderlijk dat de politie halverwege 2016 al opmerkt dat er veel geëxperimenteerd wordt met het publiceren van bodycam-beelden. Immers, pas begin 2017 kondigde de politie aan op grote schaal proeven met bodycams te zullen gaan beginnen. Echt verrassend is het overigens ook weer niet: de politie experimenteert al twintig jaar met de bodycams, zonder er ook maar iets van geleerd te hebben. Op de hackersconferentie SHA2017 besprak ik dat uitgebreid.

In de tweede plaats is het ook niet zo dat er perse nieuwe wetgeving en kaders gemaakt hoeven te worden. De politie kan nu al op grond van een beperkt aantal wetsartikelen bodycams inzetten. Die wetsartikelen bepalen wanneer zo’n camera ingezet mag worden en hoe de politie met de beelden moet omgaan. Kernwoorden: bijzonder terughoudend en bijzonder zorgvuldig. Het online zetten van die beelden past daar niet in – of het moet om een uitzondering gaan en dan alleen onder strikte voorwaarden. Maar het uitkristalliseren van die strikte voorwaarden, dat heeft de politie nog niet gedaan.

En dat is dan ook meteen het derde punt. Want wat dringend nodig is, is dat de politie vooraf goed nadenkt over de interpretatie van die regels die voortvloeien uit de wet. Wat betekenen die regels voor de praktijk? Voor zover dat niet helder is – en dat is het niet, want eenduidig landelijke beleid rondom de inzet van bodycams ontbreekt vooralsnog – zou de inzet van bodycams een “no go” moeten zijn. Want als zou die wetgeving en kaders wel nog gemaakt moeten worden, dan is het van de zotte dat de politie daar nu al een voorschot op neemt. Of het is helder wat de politie mag, of het is dat niet. Als het dat niet is, dan moet de politie van bodycams afblijven.

Ook de reactie van de politie op het onderzoek van De Monitor is onrustbarend: de “verdachte woont niet op de locatie waar het gefilmd wordt.” Ja, ammehoela. Dat is misschien het geval voor specifiek dit filmpje, maar de verdachte zal wel niet in zomaar in de tuin van een willekeurig huis aan het barbecueën zijn.  Bovendien: bij de meeste filmpjes zal een incident wel bij de betrokkene thuis gefilmd zijn. Dat was met honderd procent zekerheid wel het geval bij het voorbeeld waarover ik eerder schreef.

Kortom, de politie reageert nogal laks op het gegeven dat haar huidige standaard voor het “onherkenbaar maken” van burgers die in beeld zijn nogal ontoereikend is. Het is verontrustend dat de politie hier zo slordig mee omgaat. Het gaat tenslotte bijna altijd om momenten waarop de mens in minder fraaie situaties in beeld is. Soms beschamend, soms belastend. Die momenten verdienen zo mogelijk juist nog meer bescherming.